Dorp onder ’t mes!

Dorp onder ’t mes!

Dorp onder 't mes!

bb

“Dieren? Daar staat toch altijd file, ergens tussen Arnhem en Zutphen?” Als je passant bent, is dit het beeld dat logischerwijs blijft hangen. Een drukke weg naast een spoorlijn. Verkeerslichten, overwegen. Een obstakel op de route van A naar B. Maar niet lang meer: het dorp gaat momenteel onder het mes. De chirurgen, dat zijn de provincie Gelderland en de gemeente Rheden, in een bouwkundige quatre-mains.

De Burgemeester de Bruinstraat. De naam roept bij mij het beeld op van een rustige, beetje saaie woonstraat. Stoepjes aan weerszijden, tuintjes en tweekappers. Heeft u dat? Mooi. De Burgemeester de Bruinstraat is namelijk het tegenovergestelde, sinds haar ontstaan in 1959. Ook tóen ging Dieren onder het mes. Die ingreep had echter meer weg van een noodamputatie in een veldhospitaal. “Voor nu is het wel oké. Die prothese maken we later wel in orde”.

In 1959 namelijk, walsten asfaltmachines dwars door het dorp heen. Het was de tijd van bermtoerisme en vooruitgang, toen de auto hét symbool van die vooruitgang was en ruim baan moest krijgen. ‘Ruim baan’ betekende hier een snelweg van Arnhem naar het noorden. Deze A348 was oostelijk van Dieren bedacht, rakelings langs het dorp. Alleen lag daar -verdorie- de IJssel. Die moest maar wat oostelijker gaan stromen, dan kon de snelweg net tussen dorp en rivieroever worden geschoenlepeld. Om vooruitlopend hierop toch al iets voor de automobilist te kunnen betekenen, werd de Burgemeester de Bruinstraat dwars door het dorp gewalst. Tijdelijk hè. Maximaal vijf jaar zou die oplossing nodig zijn.

De maatschappelijke discussie met de locals bleek toch taaier dan verwacht. Het verzet tegen de snelweg in de uiterwaarden groeide en het denken over landschappelijke en natuurlijke waarden veranderde. De A50 en A28 bleken bij nader inzien toch te volstaan als verbinding met het noorden. Om een lang verhaal kort te maken: die A348 langs Dieren kwam er niet. En de Burgemeester de Bruinstraat? Die bleef. Tien jaar na aanleg werd het aantal rijbanen verdubbeld om de groei van het autoverkeer op te vangen.

Deze geschiedenis is zowel een vloek als een zegen voor Dieren. Als ik nu in Oud-Dieren aan de IJssel sta, ben ik op één van de mooiste plekken die ik ken. Stel je voor dat daar nu een vierbaans snelweg zou liggen. De prijs voor dat mooie IJsselfront is voor Dieren echter hoog. Het dorp is rücksichtslos in tweeën geknipt, de smoel van het dorp is verpest en verkeerskundig is het een gedrocht geworden. Dat er ook een spoorlijn ligt, met overwegen die meer dicht dan open zijn, helpt ook niet mee.

Sinds 1999 is nagedacht over mogelijkheden om weg en spoor beter in het dorp in te passen. In al die jaren is elke denkbare variant voorbijgekomen. En elke variant is omgekeerd, achterstevoren gezet, binnenstebuiten gedraaid en doorgerekend. ‘Dieren door het Lint’ werd ‘Hart voor Dieren’, aangescherpt tot ‘Hart ván Dieren’ en uiteindelijk ‘Traverse Dieren’. Er is gepraat, er is gediscussieerd. Er is gerollebold in de raadszaal en in buurthuizen, in brievenrubrieken en op social media. En op het moment dat bijna niemand er meer in geloofde, toen vóór- en tegenstanders beide als groggy boksers in de touwen hingen, toen gebeurde het toch nog: de schop ging in de grond.

Op dit moment wordt er overal tegelijk gebouwd in een indrukwekkende technische en logistieke choreografie, die nog tot 2019 voortduurt. En naar mijn idee is deze operatie nu veel beter doordacht, vergeleken met het planologisch opportunisme dat het dorp bijna 60 jaar geleden trof. Ik verwacht in ieder geval dat Dieren er na realisatie van de Traverse een stuk beter aan toe is.

De rooien en de blauwen

De rooien en de blauwen

De rooien en de blauwen

ButtonButton

Op deze plek heb ik een aantal stukjes geschreven over Dieren, het dorp waar ik woon. Die gingen vooral over bepaalde plekken in het dorp die me opvallen, of over de ontwikkelingen die het dorp doormaakt. In de zoektocht naar het ‘Dierens DNA’ kan ik natuurlijk niet voorbij gaan aan de inwoners van Dieren. De pakweg 18.500 mensen die Dieren maken tot het dorp dat het is. Mét elkaar, maar regelmatig ook naast elkaar.

Als je in Dieren wil voetballen en je bent erfelijk noch historisch belast, heb je een belangrijke keuze te maken. Je wordt lid van Dierensche Boys (de rooien) of van VV Dieren (de blauwen). Ik zal er maar meteen voor uitkomen: mijn zoon speelt bij Dierensche Boys, waarmee ik onvermijdelijk in het kamp van de rooien zit. Verwacht dus geen neutrale blik van mijn kant. Ik ken de rooien tamelijk goed, de blauwen nauwelijks. Ik ken wel enkele mensen die bij de blauwen spelen. Toch vind ik dat in het in het normale leven heel aardige dorpsgenoten. “Ach, ze weten niet beter”, is dan mijn ruimdenkende conclusie.

De rooien bestaan al lang, de club stamt uit 1920. De blauwe verf van de blauwen is nog maar net droog; VV Dieren is in 2012 ontstaan uit een fusie tussen VV Erica ’76 en VV Gazelle Nieuwland. Eigenlijk had de gemeente Rheden het liefste gezien dat ook Dierensche Boys mee was gefuseerd, zodat er één grote vereniging was ontstaan. Begrijpelijk, want heel efficiënt natuurlijk. Maar de rooien wilden van een fusie niks weten. Te zelfbewust, te trots. En, niet onbelangrijk: te zelfstandig. Nu hebben we dus twee clubs: een grote en een kleine. De rooien koesteren hun clubidentiteit, de blauwen zijn deze nog aan het smeden. Zoiets kost tijd.

En net zoals het is met N.E.C. en Vitesse, is het ook met de rooien en de blauwen. Ze kunnen niet mét elkaar, maar ook niet helemaal zonder elkaar. De identiteit van de club wordt onvermijdelijk voor een stukje bepaald door die ándere club. Die club waar iedereen zich lekker tegen kan afzetten. En dat gebeurt hartstochtelijk. Tegelijk zitten de rooien en de blauwen ook in een verstandshuwelijk met gemeenschappelijke boedel. Zo delen ze onder meer het hoofdveld met tribune, waar de eerste elftallen hun wedstrijden afwerken. Twee verenigingen. Met elkaar, naast elkaar en -tijdens de diverse derby’s- ook tegen elkaar.

Een ondernemer in Dieren, die zelf niet in het dorp woont, vertelde me ooit dat hij dat verenigingsleven wel typisch vond aan Dieren. Een betrekkelijk kleine gemeenschap, waarin toch opvallend veel clubs en clubjes aanwezig zijn, die elkaar soms ook beconcurreren. Een duidelijk ‘zij-gevoel’, dat naast het ‘wij-gevoel’ bestaat. Zo heeft Dieren, hoewel slechts een beperkt deel van de inwoners carnaval viert, toch ook twee carnavalsverenigingen: de Deurdauwers en de Nölers. ‘Hoe meer zielen, hoe meer vreugd’ gaat blijkbaar niet altijd op.

Ik denk dat het te maken heeft met de schaal van Dieren. Het is het verhaal van het laken en servet. Dieren is een dorp met een typische dorpse gemeenschapszin. Maar wel een uit de kluiten gewassen dorp, waardoor er ruimte is voor meerdere verenigingen, soms concurrerend. Die ruimte is echter weer niet onbegrensd, waardoor er ook een concurrentie effect optreedt. Was Dieren kleiner of juist groter geweest, had een ander patroon kunnen ontstaan verwacht ik.

Hoe het ook zij: met al die clubs en clubjes is in Dieren voor elk wat wils te vinden. Je kunt in verenigingsverband honkballen, softballen, scuba duiken, bridgen, honden trainen, hockeyen, tennissen, volleyballen, wielrennen, handballen, korfballen, wandelen, darten, schaken, motorrijden, badmintonnen, aan atletiek doen, kegelen, koersballen, triathlonnen, turnen, muziek maken, jeu-de-boulen, pingpongen, vissen en toneelspelen. En, ik zei het al: voetballen en carnaval vieren. Dat boksen die pakweg 18.500 Dierenaren toch maar mooi voor elkaar. Met elkaar, naast elkaar. En soms ook tegen elkaar.

Hoe ruikt de IJssel?

Hoe ruikt de IJssel?

Hoe ruikt de IJssel?

ButtonButton

Hoe ruikt de zomer? Voor iedereen anders natuurlijk. Voor mij ruikt ie naar rivierwater. Die geur die aan je huid en in je haar blijft hangen na een dag zwemmen in een grind- of zandafgraving. Eigenlijk een beetje een vies, brak luchtje als ik eerlijk ben. Maar die geur van Maaswater, vermengd met zonnebrandcrème en versgebakken frieten…onmiskenbaar een prachtige, luie zomerdag. Geen speld tussen te krijgen.

Sinds ik een jaar of 20 geleden vanuit Limburg naar Gelderland ben verhuisd, is de Maas wat uit beeld geraakt. Ik zoek ‘r nog wel eens op, maar lang niet meer zo vaak als vroeger. Maar gelukkig is hier de IJssel, die me wel aan de Maas doet denken. Geen indrukwekkende, brede stroom zoals de Waal, maar een meer bescheiden, vriendelijke rivier die door een prachtig landschap meandert. Fietsen langs de IJssel is tof, het levert een stroom aan mooie Kodak-momentjes op. Dit jaar krijg je er als bonus nog een aantal fraaie kunstwerken bij geserveerd. En ook dat viezige, brakke, maar o zo lekkere geurtje van rivierwater heb ik met de IJssel onder handbereik.

De IJssel ruik je het best door een pontje te nemen. Ten minste, ik meen dat ik de rivier tijdens die oversteekjes het beste ruik. Pontjes zat, zigzaggend via de oost- en westoever kun je je hart en neus ophalen. En als je geen zin hebt in een lange fietstocht, sla je een tientje stuk bij de veerman en ga je gewoon een paar keer heen en weer. ’t Is maar een tip.

Het pontje tussen Brummen en Bronkhorst is een van mijn favoriete pontjes. Aan Brummense zijde is daar namelijk een frietkraam bij geplaatst, waardoor ik mijn favoriete zomerse geurencombinatie ter plekke kan samenstellen. Toegegeven; het is wat behelpen aangezien je hier niet in de IJssel mag zwemmen. Maar het komt aardig dichtbij.

Toen ik las dat Peter de Cupere bij de veerstoep aan Brummense zijde een aantal te besnuffelen zeezoutsculpturen heeft geplaatst, was mijn interesse gewekt. Zeezout…zee…strand…met die geur is niks mis. Ook heel zomers. Ik was wel benieuwd of de geur van zee en rivier een beetje zouden combineren. Daar wilde ik wel eens gaan ruiken.

De vijf sculpturen staan in glazen vitrines opgesteld. Aan de voorzijde van elke vitrine is een geperforeerd plaatje bevestigd, waar je je benieuwde neus bij mag houden. Kleine ventilatoren helpen een handje en doen vijf verschillende geuren naar buiten zweven. En dat is eigenlijk een heel rare gewaarwording. Want dat zeezout ruik je helemaal niet. De kunstenaar heeft elk beeld namelijk van een eigen geur voorzien. En dat levert een rare combinatie op. Het beeld van het landschap zelf, met de IJssel, het frietkot en alle daarbij behorende geuren. De vijf sculpturen van de Cupere, overduidelijk Fremdkörper op deze plek en elk met een eigen vorm. En als je je neus bij die vitrine houdt, telkens weer een andere geur.

Je merkt door dit kunstwerk heel duidelijk dat je ogen en neus voortdurend samenwerken. En door de combinaties die hier gemaakt zijn, raakt die samenwerking een beetje in de war. Op een prettige manier. Ik ga over de geuren niks verklappen: ga er vooral zelf ruiken. En vergeet dan vooral niet om ook even aan de IJssel zelf te snuffelen.

Welkom in den Niederlanden!

Welkom in den Niederlanden!

Welkom in den Niederlanden!

ButtonButton

M’n opa was douanier. Daar was ie trots op en ik ook. Ik zie ‘m nog voor me, in grijsgroen uniform met pet, dienstwapen aan z’n riem. Destijds was hij gestationeerd bij de diverse grensovergangen bij Sittard, aan de Duitse grens. En hoewel ie terugverlangde naar de periode dat hij op een patrouilleboot in de Rotterdamse haven zeeschepen controleerde, nam hij ook de bewaking van onze oostgrens zeer serieus.

Hij kon prachtig vertellen over het kat-en-muis-spel tussen douane en smokkelaars. Over trucs die werden uitgehaald om smokkelwaar ongezien de grens over te brengen. En -daar zat een deel van de trots- hoe de douane die vaak wist te doorzien. Hij legde geduldig uit wat smokkelen inhield en waarom de douane dit bestreed. Best ingewikkeld voor een zesjarige, maar nogmaals: hij was een geduldig man. De grens was toen nog echt een grens en ik had er ontzag voor. Wachthuisjes, Nederlandse en Duitse vlaggen. Volgens mij waren er ook nog slagbomen, maar misschien heb ik die er in m’n herinnering bij getekend.

We passeerden de grens nogal eens, doorgaans om voordelig benzine te tanken. En altijd als m’n vader stapvoets rijdend het grenskantoor naderde, voelde ik een lichte spanning. Mogen we verder rijden of worden we staande gehouden? De ritjes naar de benzinepomp waren niet lang, een paar kilometer. Maar door die grensovergang was ik elk van die ritjes echt op reis. Een wereldburger! De grens passeerden we overigens altijd moeiteloos. Een enkele keer werd er om een paspoort gevraagd, maar doorgaans beperkte de douanier van dienst zich tot een loom handgebaar vanuit het wachthuisje, waarmee ons tank-visum weer was verstrekt.

Inmiddels was ik zeven en was het 1985 geworden. Met het eerste verdrag van Schengen hadden Nederland en Duitsland afgesproken de controle van personen te beëindigen. Dat had niemand me verteld, wist ik veel. Ik bleef de grens gewoon bijzonder en een tikje spannend vinden. Ik kan me wel herinneren dat m’n opa er moeite mee had dat grenscontroles in rap tempo werden afgebouwd. Daar kon ie z’n hoofd nog wel eens over schudden in onbegrip. Logisch natuurlijk; hij had z’n gehele werkzame leven aan grensbewaking gewijd.

Ruim 30 jaar later is de grens tussen Nederland en Duitsland weliswaar nog altijd aanwezig, maar vager dan ooit. We hebben dezelfde munt en wonen, werken en recreëren vrijwel onbelemmerd over en weer. Toch blijf ik grensovergangen boeiende plekken in het landschap vinden. Toen mijn werk me begin dit jaar naar Denekamp in het prachtige noordoost-Twente bracht, nam ik dan ook snel een kijkje bij de grensovergang aldaar. En van die grens kun je vanalles zeggen, maar niet dat ie niet meer herkenbaar is. In tegendeel.

De grensovergang tussen Denekamp en Nordhorn laat zich het best beschrijven als een bonte kakofonie van horeca en detailhandel. De gebouwen die ooit voor grensbewaking dienden, worden nu gebruikt voor een supermarkt, een fish-und-chips imbiss, een groenteboer, apotheek en weet ik wat niet meer. Al deze bedrijven zijn overtuigend Duits in assortiment en reclame-uitingen. Toch staan ze op Nederlands grondgebied. Over dit laatste twijfelde ik nog even, maar de verhardingstypen, verkeersborden en brievenbus van PostNL laten daar geen twijfel over bestaan. Een gemeenteplattegrond van de gemeente Dinkelland hangt onder reclameborden voor Tchibo-Kaffee. Hier is niets minder dan een Duitse exclave ontstaan. Op de parkeerplaats vrijwel alleen auto’s met Duits kenteken. Blijkbaar is dit informeel kloddertje weidewinkels heel aantrekkelijk voor de bewoners van Nordhorn en omgeving.

Ik vraag me af wat m’n opa hiervan zou vinden. Van die grens die niet alleen niet meer wordt bewaakt, maar ook nog eens vervaagd is, alsof er een reusachtige vinger overheen heeft gewreven waardoor de harde lijn in een brede veeg is uitgesmeerd. Waarbij en passant een stukje Duitsland in Nederland is ontstaan. Voor m’n opa en vele anderen van zijn generatie zou dat niet geheel vrij van lading zijn geweest denk ik. Als ie daar in onbegrip z’n hoofd over zou schudden, zou ik ‘m proberen op te vrolijken. Met het bericht dat er in deze Duitse exclave, tegen de stroom in, aan een oerhollandse kaaswinkel wordt gebouwd.

Halverwege Ulft en Apeldoorn

Halverwege Ulft en Apeldoorn

Halverwege Ulft en Apeldoorn

ButtonButton

“Deze trein zal nog stoppen te Dieren, Zutphen, Deventer, Olst, Wijhe en heeft als eindbestemming Zwolle.” Hoe vertrouwd klinkt dit omroepbericht in de trein; die riedel haltes langs de IJssellijn. Moest ik je uitleggen waar Dieren ligt, zou ik het dan ook al snel “halverwege Arnhem en Zutphen” plaatsen. Dit is deel twee in een serie blogs over de zoektocht naar het ‘Dierens DNA’. Wat heeft dit dorp aan de IJssel gemaakt tot wat het is? Hoe is deze geschiedenis in het huidige dorp en haar bewoners zichtbaar? En wat betekent dit voor de toekomst van Dieren?

Zou ik zeggen dat Dieren “Halverwege Ulft en Apeldoorn” ligt, denk ik dat je me wat glazig zou aankijken. Toch was dit in het verleden een betekenisvolle route. Pak de kaart er maar eens bij en verplaats jezelf naar, pak ‘m beet, 1930. Trek dan een lijn tussen Ulft en Doesburg. Langs de Oude IJssel, waar sinds eind 17e eeuw een bloeiende ijzerindustrie was ontstaan door de beschikbaarheid van ijzeroer én bevaarbaar water. Gieterijen als DRU, Ferro, Pelgrim, Snoeck & Boon, Vulcanus of Ubbink. Bekende namen, een aantal bestaat nog steeds.

Bij Doesburg mondt de Oude IJssel uit in de IJssel. We trekken de lijn door. Eén meander stroomafwaarts belanden we in Dieren en daarmee bij het begin van het Apeldoorns Kanaal. Hier vonden we destijds de Emaillefabriek de Yssel: Edy. Ook bedrijven als Gazelle en Lepper kunnen tot de staalverwerkende bedrijven worden gerekend. Ulft-Dieren: in onze tijd hadden handige marketeers het vast tot ‘Steel Valley’ gebombardeerd. Destijds maakte men er minder woorden, maar vooral zijn handen aan vuil.

Het vervolg van de route naar Apeldoorn is evengoed industrieel. Waar langs de Oude IJssel de ijzeroer de ontwikkeling aanjoeg, was het hier het sprengenwater dat aan de stuwwal werd onttrokken. Niet alleen werden met dit stromende water molens aangedreven; ook was het van zo’n goede kwaliteit dat het geschikt was voor papierproductie. Nog steeds zijn in Eerbeek papier- en kartonfabrieken gevestigd. Ook ontstonden hier diverse wasserijen, sommige nog steeds in bedrijf. Ulft-Apeldoorn: ooit een aaneenschakeling van bedrijvigheid.

Waar blijft Dieren in dit verhaal? Wel, op een kruispunt. De route langs de IJssel was historisch relevant, oostelijk om de woeste gronden heen. Dieren lag aan deze route, rustig en idyllisch te wezen. De aanleg van de IJssellijn (1865) en het doortrekken van het Apeldoorns Kanaal naar Dieren (1868) veranderde deze situatie. Toen er in 1881 een tramverbinding met Doetinchem / Duitsland en in 1887 ook nog een directe spoorverbinding met Apeldoorn bij kwam, was multimodaal knooppunt Dieren compleet.

Aan een doorgaande route lig je goed, op een knooppunt lig je fantastisch. Al snel vestigde zich dan ook een aantal industriële bedrijven in Dieren. Met deze bedrijven volgden werknemers en Dieren groeide gestaag. De infrastructuur bepaalde in sterke mate de groeirichting van het dorp. Ruitvormig, in noordwestelijke richting van haar oorspronkelijke centrum vandaan groeiend.

Dieren piekte te vroeg, zo bleek echter. Geëmailleerd ijzer verloor het van RVS, Teflon en Tupperware. De tram verloor het van autobus en vrachtwagen en verdween midden jaren ’50. Het Apeldoorns Kanaal bleek te smal om rendabel te zijn en werd gesloten in 1972, een jaar of tien later gevolgd door de spoorverbinding met Apeldoorn. Knooppunt Dieren hield op te bestaan; Dieren werd weer een halteplaats aan de route langs de IJssel. Inmiddels heel wat minder rustig en heel wat minder idyllisch: de groei van het wegverkeer was immers niet van de lucht.

Het wegennet werd dan ook opgeschaald. Grootse plannen voor een autosnelweg tussen Arnhem en Deventer werden slechts deels gerealiseerd: de A348. Bij Dieren houdt deze echter op en moet alle verkeer zich via de N348 door het dorp heen wringen. Deze weg, die Dieren behoorlijk heeft verminkt, is in 1959 aangelegd als een tijdelijke oplossing. Het eigenlijke plan was de autosnelweg door te trekken, direct oostelijk om Dieren heen. Ongetwijfeld had dit het IJsseldorp Dieren nog veel ernstiger verminkt, maar dat terzijde.

De verkeersaders die ooit de motor achter de groei van Dieren waren, veranderden in een last voor het dorp. De N348 had het dorp bruusk in tweeën gesplitst, een situatie die erger werd naarmate de verkeersstroom aanzwol. De bedrijven langs het kanaal waren niet langer ontsloten via vaarwater. In plaats van goederen werden nu vooral forensen vervoerd, die pendelden naar hun werk bij AKZO in Arnhem of ENKA in Ede.

Wie naar de wegenkaart van nu kijkt, ziet dat Dieren geen centrale plek meer is. De vooruitgang heeft anders beslist. Dit is misschien wel de tragiek van het dorp. Een korte tijd knooppunt, waardoor het groter groeide dan voorbestemd. Achtergebleven met een verkeerskundige en stedenbouwkundige anatomie, die even interessant als gebrekkig is. De plannen voor de traverse zullen de pijn ongetwijfeld verzachten en het dorp weer wat meer tot een geheel smeden. Het dorp weer met zichzelf in evenwicht te brengen, vraagt echter heel wat meer.