Kulturschock am Wattenmeer

Kulturschock am Wattenmeer

Kulturschock am Wattenmeer

ButtonButton

Duitsers zijn serieus, ordelijk, plichtsgetrouw en gevoelig voor regels en hiërarchie. Bekende en gangbare vooroordelen die we er in Nederland over onze oosterburen op na houden. En hoewel ik niet zo van vooroordelen hou, kon ik er dit weekend echt niet om heen: Ordnung muß sein. In ieder geval aan de Duitse waddenkust.

Ik logeerde een paar dagen bij vrienden in Bremerhaven, een boeiende stad waar Weser en Wadden elkaar ontmoeten. Eén van die dagen zwierven we wat door de omgeving en volgden de kust richting Cuxhaven. Het kustgevoel te pakken krijgen was nog niet zo eenvoudig. Land en water zijn op de meeste plekken resoluut van elkaar gescheiden door een hoge grasdijk. Slaperige dorpjes doen in niets vermoeden dat je aan de kust bent. Dat wordt hoogstens verklapt door een verdwaalde zeemeeuw die uitrust op een lantaarnpaal.

Nee, het strandtoerisme is aan de Duitse waddenkust nog niet overal tot bloei gekomen. Nou ja, ‘strand’. De overgang tussen dijk en slib waarin je tot je knieën wegzakt, is natuurlijk niet echt een bountystrand. Deze plek trekt wadlopers en vogelaars, maar geen zonaanbidders, kuilengravers en zandkastelenbouwers. Die gaan liever naar Ibiza, Mallorca of Walcheren. Maar plotsklaps was het daar dan toch. In de buurt van het plaatsje Dorum stond het ineens heel duidelijk op een wegwijzer: Strand! Dat wilden we wel eens zien.

Even verderop konden we inderdaad de dijk oversteken. Vaag kwam nog even de gedachte in me op dat het jammer was dat we geen zwemspullen bij ons hadden. Maar dat duurde niet lang. Ja, achter de dijk zagen we inderdaad de prachtige weidse Waddenzee. We zagen echter ook dat tussen ons en het water een haast onneembare vesting was gebouwd. Hekken. Slagbomen. Verbodsborden. Waarschuwingsborden. En nog meer hekken. Waren we verkeerd gereden en per ongeluk bij een penitentiaire inrichting beland?

Helaas niet. Dit was toch echt het lokale strand. Voorzien van een horecapaviljoen, ligweide met strandcabines, parkeerplaatsen en een zwembad. En, ik zei het al, een onnoemelijke hoeveelheid hekken en borden. Want voor al die Freizeitinfrastruktur moet natuurlijk wel entree betaald worden, da’s de spelregel. En die regel moet natuurlijk nageleefd worden.

Stationshal Arnhem Centraal
Stationshal Arnhem Centraal

Het was een vervreemdende en verdrietig makende ervaring. De weidsheid van de kust, de eindeloze zee, opgesloten tussen hekken. Een gekooid landschap, met een horizon die je alleen tussen tralies door kunt bekijken. Tenzij je ervoor wil betalen natuurlijk. Dan mag je het poortje door. Ik zal u niet vermoeien met de historische associatie die deze hoeveelheid hekken en controlepoorten bij ons opriep. Die komt ongetwijfeld ook bij u op.

Het zette me aan het denken. Afgezien van het deprimerend karakter van deze plek, van de vervreemding die ze oproept, is er iets heel onlogisch aan de redenering die achter dit alles schuil lijkt te gaan. Het zit ‘m in het verdienmodel denk ik. Als je een plek ‘te gelde’ wil maken, zorg je er in eerste instantie voor dat ie aantrekkelijk is voor bezoekers. Bezoekers moet je met open armen ontvangen. Ze leiden immers tot inkomsten en met die inkomsten kun je investeren in faciliteiten.

Hier lijkt een omgekeerde route te zijn gevolgd. De zee en het weids uitzicht, dat was er al. Gratis verzorgd door moeder natuur. Er zijn faciliteiten bij gebouwd en die moeten worden gefinancierd met entreegeld. En om de betaling van entreegeld af te dwingen, is het mooi zeegezicht verminkt met kilometers hekwerk en talloze controleposten, waardoor de toerist nu moet inchecken in een soort interneringskamp aan zee. Niet langer staat de aantrekkelijkheid van de plek centraal, maar een bedachte set regels die moet worden afgedwongen.

De wereld op z’n kop, als ik het zou mogen zeggen. Maar ja, wat wil je? Ordnung muß sein.

Park- en Rijntoren Arnhem

Onder de papklok

Onder de papklok

Onder de papklok

ButtonButton

Afgelopen oktober waagden we de sprong over de IJssel. We verkasten van Dieren naar Doesburg. Slechts vijf kilometer verderop, een steenworp afstand. Maar toch naar een andere wereld. Dieren is Veluwezoom, Doesburg is Achterhoek. Dieren is een dorp, Doesburg een stad. Dieren is veel groter geworden dan ooit bedoeling leek, Doesburg is juist kleiner gebleven. U begrijpt, genoeg verwondering over het hoe en waarom van dat alles.

Dat stad-en-dorp-gedoe, dat vind ik opmerkelijk. Dieren heeft ruim vijftienduizend inwoners, Doesburg komt nog niet aan de twaalfduizend koppen. In Dieren, daar stap je elk half uur uit de Intercity. Voor Doesburg moet je voor de laatste kilometers nog een streekbus pakken. In Dieren, daar kun je met je liefje zoenen in de fietsenstalling van een middelbare school. Kom daar in Doesburg maar eens om.

Zo bekeken lijkt het zo klaar als een klontje. Die stadsrechten, die in 1237 door Graaf Otto II aan Doesburg zijn toegekend, die had ie achteraf gezien net zo goed in Dieren kunnen laten bezorgen. Maar toch is er tegelijkertijd geen twijfel mogelijk: Dieren is onmiskenbaar een dorp en Doesburg is een echte stad. Oké, een stadje van niks, als je naar de omvang kijkt. Maar, zo redeneert de Doesburger, groter is heus niet altijd beter.

Waar zit ‘m dat dan in, dat ‘stad zijn’? In de tijd van Otto II, toen intercity’s en fietsenstallingen nog geen noemenswaardige rol speelden in ons dagelijks leven, betekende dat het recht om tol te heffen, om een markt te houden, of om recht te mogen spreken. Dat tol heffen en rechtspreken, dat gebeurt in Doesburg allang niet meer. Markten, die zijn er natuurlijk nog volop. Maar maakt een markt een stad, zoals kleren de man maken? Dat betwijfel ik.

Nee, ik denk dat je het tegenwoordig in andere dingen moet zoeken. Bijvoorbeeld in een zelfbewustzijn, een trots die stadsbewoners eigen is. Dat zit in Doesburg wel snor. Het IJsselstadje speelt haar stadse troeven vol overgave uit, ongeacht hun feitelijke relevantie voor de stad anno nu. Het lidmaatschap van het Hanzeverbond. Het historische, nog goeddeels intacte stadshart. De militaire geschiedenis, het moderne IJsselfront. Haar culturele leven. Mosterd, mosterdsoep en mosterdsoepwedstrijden. Een bonte verzameling insignes, die de stad door de eeuwen heen opgespeld heeft gekregen. Of zichzelf heeft opgespeld.

Doesburgs volkslied

De Doesburgers zijn oprecht trots op die dingen. En dan maakt het niet eens zo gek veel uit of ze in Doesburg zijn geboren, of dat ze er nog maar koud zijn komen wonen. Je ziet dat ook met mensen die in Amsterdam gaan wonen. Ze sluiten die stad binnen mum van tijd in hun hart, gaan ‘m na twee weken liefkozend Mokum noemen en mopperen na een maand vakkundig mee over al die toeristen die ‘hun’ stad overspoelen. Een beetje lachwekkend misschien, maar dat is wat een stad met mensen kan doen. Een stad heeft smoel. En, niet onbelangrijk, een stad staat iedereen toe zich met die smoel te vereenzelvigen. Een echte stad, die zit blijkbaar in haar bewoners, in hun vezels.

En eerlijk is eerlijk, ik merk aan mezelf dat ook het kleine, dappere Doesburg al in mijn vezels begint te kruipen. Terwijl ik me toch echt geen Doesburger durf te noemen, na er pas een maand of zeven te hebben gewoond. Het voelt een beetje als met andermans veren pronken, trots te zijn op een stad die ik me toch nog echt niet de mijne kan noemen en waaraan ik op geen enkele manier iets heb bijgedragen.

Tot een paar weken geleden, tijdens een tocht op de racefiets. Het was een mooie voorjaarsavond en ons rondje werd groter dan we ons hadden voorgenomen. We moesten flink op de pedalen om voor donker terug te zijn. De laatste kilometers gingen rechtuit, over de dijk langs de Oude IJssel. Om negen uur hadden we de stad weer bijna bereikt. Dichtbij genoeg om de papklok te horen slaan, hoog in de toren van de Martinikerk. Zoals ie al vele generaties luidt. Negen uur, tijd om terug te komen van buiten, terug naar de veilige beslotenheid van de stad. Toen wist ik het zeker. We zijn bijna thuis. Thuis in de stad die al heel snel de mijne is geworden.

Doesburgs volkslied

Ode aan de Vetkampstraat

Ode aan de Vetkampstraat

Ode aan de Vetkampstraat

bb

Sittard, 1985. Thuis is het gezellig druk. M’n opa en een paar ooms zijn op bezoek. Een pilsje op tafel, de kamer geurt naar tabaksrook. Er wordt gepraat over wat komen gaat. Ook op straat is het druk. Over een uurtje zullen de smalle straten in onze buurt vol staan met auto’s en zal een onafgebroken stroom mensen langs ons huis wandelen. En ik geniet van dit ritueel, dat zich om de week voltrekt.

Even later gaan wij ook naar buiten, mee in de stroom voetgangers. Het schemert en vanaf ons huis is de blauwwitte gloed duidelijk te zien, afkomstig van de lichtmasten boven de Baandert. Fortuna speelt vanavond thuis. In de Eredivisie, de Eagles komen op bezoek. Ze komen uit Deventer, vertelt m’n vader. Geel-groen tegen geel-rood. Fortuna wint die avond met 4-0. Geen idee hoe de wedstrijd verliep of wie er scoorde, daar lette ik niet echt op denk ik. Ik kan me vooral herinneren dat ik het spannend vond, zo naar een avondwedstrijd om de hoek.

Een avondje Baandert bestaat al sinds 1999 niet meer. Fortuna wilde vooruit, stadion de Baandert was aan ingrijpende renovatie toe en de gemeente zag het stadionterrein als geschikte woningbouwlocatie. Zaken werden beklonken en een nieuw stadion verrees aan de rand van de stad. Een mooi stadion hoor. Maar ik mis die blauwwitte gloed boven de daken, de opstoppingen, de drommen mensen door de straten. Ik mis het gevoel van ‘samen’, het gevoel dat er iets te gebeuren staat. Als ik op ‘BedrijvenStad Fortuna’ gemakkelijk een parkeerplek vind en naar het ‘Fortuna Sittard Stadion’ in ‘Sportzone Limburg’ wandel, loop ik door een half gebouwde artist impression. Bedacht en beredeneerd, maar niet ontstáán.

Deventer, 2017. We rijden stapvoets tussen fietsers en voetgangers. Ik vind een parkeerplek in een smal straatje. Als we uitstappen, wijst m’n zoontje enthousiast in de verte: “Kijk pap, die kant moeten we uit. Je ziet de lichten al!” We wandelen richting de blauwwitte gloed boven de daken. Hoe dichter we de Vetkampstraat naderen, hoe drukker het wordt. “Ik word altijd een beetje zenuwachtig als we naar een wedstrijd gaan”, vertrouwt ie me toe. Ik herken het wel. Het is dat magische gevoel dat er iets te gebeuren staat.

De Eagles spelen vanavond thuis, in de eerste divisie. Almere komt op bezoek. De Adelaarshorst is prachtig. Zwart geschilderde, vakwerk stalen lichtmasten. Mooi metselwerk en smeedijzeren hekwerken. Je voelt dat het hier is ontstáán en niet is bedacht. De Eagles winnen met 2-1. Ik kan me van de wedstrijd weinig herinneren, behalve dat het hard regende en dat het een leuke pot was. Ik heb vooral zitten genieten. Van de voetbalsfeer, van het stadion. Van de opstoppingen in de smalle straatjes.

En ik heb gehoopt, vurig gehoopt dat niemand op het idee komt dat het ‘vooruit’ moet met de club. Dat een nieuw stadion onmisbaar is om een ‘stabiele eredivisionist’ te worden. Dat dit prachtig stadion moet wijken voor woningen en er ergens aan de rand van Deventer een nieuw stadion wordt gebouwd. Ik hoop dat niets van dat alles gebeurt. Zeker niet vóór vrijdag 6 april 2018. Want dan komt Fortuna Sittard op bezoek in de Adelaarshorst. Dan zie ik m’n favoriete clubje weer, in dit heerlijk stadion. Dan is het Geel-rood tegen geel-groen. En als ze dan het veld op komen en het clublied van de Eagles klinkt… dan zing ik zachtjes m’n eigen liedje, daar in die prachtige Adelaarshorst.

Dorp onder ’t mes!

Dorp onder ’t mes!

Dorp onder 't mes!

bb

“Dieren? Daar staat toch altijd file, ergens tussen Arnhem en Zutphen?” Als je passant bent, is dit het beeld dat logischerwijs blijft hangen. Een drukke weg naast een spoorlijn. Verkeerslichten, overwegen. Een obstakel op de route van A naar B. Maar niet lang meer: het dorp gaat momenteel onder het mes. De chirurgen, dat zijn de provincie Gelderland en de gemeente Rheden, in een bouwkundige quatre-mains.

De Burgemeester de Bruinstraat. De naam roept bij mij het beeld op van een rustige, beetje saaie woonstraat. Stoepjes aan weerszijden, tuintjes en tweekappers. Heeft u dat? Mooi. De Burgemeester de Bruinstraat is namelijk het tegenovergestelde, sinds haar ontstaan in 1959. Ook tóen ging Dieren onder het mes. Die ingreep had echter meer weg van een noodamputatie in een veldhospitaal. “Voor nu is het wel oké. Die prothese maken we later wel in orde”.

In 1959 namelijk, walsten asfaltmachines dwars door het dorp heen. Het was de tijd van bermtoerisme en vooruitgang, toen de auto hét symbool van die vooruitgang was en ruim baan moest krijgen. ‘Ruim baan’ betekende hier een snelweg van Arnhem naar het noorden. Deze A348 was oostelijk van Dieren bedacht, rakelings langs het dorp. Alleen lag daar -verdorie- de IJssel. Die moest maar wat oostelijker gaan stromen, dan kon de snelweg net tussen dorp en rivieroever worden geschoenlepeld. Om vooruitlopend hierop toch al iets voor de automobilist te kunnen betekenen, werd de Burgemeester de Bruinstraat dwars door het dorp gewalst. Tijdelijk hè. Maximaal vijf jaar zou die oplossing nodig zijn.

De maatschappelijke discussie met de locals bleek toch taaier dan verwacht. Het verzet tegen de snelweg in de uiterwaarden groeide en het denken over landschappelijke en natuurlijke waarden veranderde. De A50 en A28 bleken bij nader inzien toch te volstaan als verbinding met het noorden. Om een lang verhaal kort te maken: die A348 langs Dieren kwam er niet. En de Burgemeester de Bruinstraat? Die bleef. Tien jaar na aanleg werd het aantal rijbanen verdubbeld om de groei van het autoverkeer op te vangen.

Deze geschiedenis is zowel een vloek als een zegen voor Dieren. Als ik nu in Oud-Dieren aan de IJssel sta, ben ik op één van de mooiste plekken die ik ken. Stel je voor dat daar nu een vierbaans snelweg zou liggen. De prijs voor dat mooie IJsselfront is voor Dieren echter hoog. Het dorp is rücksichtslos in tweeën geknipt, de smoel van het dorp is verpest en verkeerskundig is het een gedrocht geworden. Dat er ook een spoorlijn ligt, met overwegen die meer dicht dan open zijn, helpt ook niet mee.

Sinds 1999 is nagedacht over mogelijkheden om weg en spoor beter in het dorp in te passen. In al die jaren is elke denkbare variant voorbijgekomen. En elke variant is omgekeerd, achterstevoren gezet, binnenstebuiten gedraaid en doorgerekend. ‘Dieren door het Lint’ werd ‘Hart voor Dieren’, aangescherpt tot ‘Hart ván Dieren’ en uiteindelijk ‘Traverse Dieren’. Er is gepraat, er is gediscussieerd. Er is gerollebold in de raadszaal en in buurthuizen, in brievenrubrieken en op social media. En op het moment dat bijna niemand er meer in geloofde, toen vóór- en tegenstanders beide als groggy boksers in de touwen hingen, toen gebeurde het toch nog: de schop ging in de grond.

Op dit moment wordt er overal tegelijk gebouwd in een indrukwekkende technische en logistieke choreografie, die nog tot 2019 voortduurt. En naar mijn idee is deze operatie nu veel beter doordacht, vergeleken met het planologisch opportunisme dat het dorp bijna 60 jaar geleden trof. Ik verwacht in ieder geval dat Dieren er na realisatie van de Traverse een stuk beter aan toe is.

De rooien en de blauwen

De rooien en de blauwen

De rooien en de blauwen

ButtonButton

Op deze plek heb ik een aantal stukjes geschreven over Dieren, het dorp waar ik woon. Die gingen vooral over bepaalde plekken in het dorp die me opvallen, of over de ontwikkelingen die het dorp doormaakt. In de zoektocht naar het ‘Dierens DNA’ kan ik natuurlijk niet voorbij gaan aan de inwoners van Dieren. De pakweg 18.500 mensen die Dieren maken tot het dorp dat het is. Mét elkaar, maar regelmatig ook naast elkaar.

Als je in Dieren wil voetballen en je bent erfelijk noch historisch belast, heb je een belangrijke keuze te maken. Je wordt lid van Dierensche Boys (de rooien) of van VV Dieren (de blauwen). Ik zal er maar meteen voor uitkomen: mijn zoon speelt bij Dierensche Boys, waarmee ik onvermijdelijk in het kamp van de rooien zit. Verwacht dus geen neutrale blik van mijn kant. Ik ken de rooien tamelijk goed, de blauwen nauwelijks. Ik ken wel enkele mensen die bij de blauwen spelen. Toch vind ik dat in het in het normale leven heel aardige dorpsgenoten. “Ach, ze weten niet beter”, is dan mijn ruimdenkende conclusie.

De rooien bestaan al lang, de club stamt uit 1920. De blauwe verf van de blauwen is nog maar net droog; VV Dieren is in 2012 ontstaan uit een fusie tussen VV Erica ’76 en VV Gazelle Nieuwland. Eigenlijk had de gemeente Rheden het liefste gezien dat ook Dierensche Boys mee was gefuseerd, zodat er één grote vereniging was ontstaan. Begrijpelijk, want heel efficiënt natuurlijk. Maar de rooien wilden van een fusie niks weten. Te zelfbewust, te trots. En, niet onbelangrijk: te zelfstandig. Nu hebben we dus twee clubs: een grote en een kleine. De rooien koesteren hun clubidentiteit, de blauwen zijn deze nog aan het smeden. Zoiets kost tijd.

En net zoals het is met N.E.C. en Vitesse, is het ook met de rooien en de blauwen. Ze kunnen niet mét elkaar, maar ook niet helemaal zonder elkaar. De identiteit van de club wordt onvermijdelijk voor een stukje bepaald door die ándere club. Die club waar iedereen zich lekker tegen kan afzetten. En dat gebeurt hartstochtelijk. Tegelijk zitten de rooien en de blauwen ook in een verstandshuwelijk met gemeenschappelijke boedel. Zo delen ze onder meer het hoofdveld met tribune, waar de eerste elftallen hun wedstrijden afwerken. Twee verenigingen. Met elkaar, naast elkaar en -tijdens de diverse derby’s- ook tegen elkaar.

Een ondernemer in Dieren, die zelf niet in het dorp woont, vertelde me ooit dat hij dat verenigingsleven wel typisch vond aan Dieren. Een betrekkelijk kleine gemeenschap, waarin toch opvallend veel clubs en clubjes aanwezig zijn, die elkaar soms ook beconcurreren. Een duidelijk ‘zij-gevoel’, dat naast het ‘wij-gevoel’ bestaat. Zo heeft Dieren, hoewel slechts een beperkt deel van de inwoners carnaval viert, toch ook twee carnavalsverenigingen: de Deurdauwers en de Nölers. ‘Hoe meer zielen, hoe meer vreugd’ gaat blijkbaar niet altijd op.

Ik denk dat het te maken heeft met de schaal van Dieren. Het is het verhaal van het laken en servet. Dieren is een dorp met een typische dorpse gemeenschapszin. Maar wel een uit de kluiten gewassen dorp, waardoor er ruimte is voor meerdere verenigingen, soms concurrerend. Die ruimte is echter weer niet onbegrensd, waardoor er ook een concurrentie effect optreedt. Was Dieren kleiner of juist groter geweest, had een ander patroon kunnen ontstaan verwacht ik.

Hoe het ook zij: met al die clubs en clubjes is in Dieren voor elk wat wils te vinden. Je kunt in verenigingsverband honkballen, softballen, scuba duiken, bridgen, honden trainen, hockeyen, tennissen, volleyballen, wielrennen, handballen, korfballen, wandelen, darten, schaken, motorrijden, badmintonnen, aan atletiek doen, kegelen, koersballen, triathlonnen, turnen, muziek maken, jeu-de-boulen, pingpongen, vissen en toneelspelen. En, ik zei het al: voetballen en carnaval vieren. Dat boksen die pakweg 18.500 Dierenaren toch maar mooi voor elkaar. Met elkaar, naast elkaar. En soms ook tegen elkaar.

Planologenogen

Planologenogen

Planologen-ogen

ButtonButton

Onderweg naar Vlissingen. Het is even na achten als de trein Nijmegen binnen stommelt. De Waal glinstert onder ons, de rondvaartboten bedekt met een laagje bladgoud. De lage ochtendzon zorgt voor een prachtig afgetekende skyline. De Sint-Stevenskerk trots in het midden, de bomen in het hoog gelegen Valkhof meer naar links, op de achtergrond.

Met m’n telefoon maak ik een foto en stuur die naar m’n zoontje. “Rara, waar ben ik nu?” Even later het antwoord: “In de trein.” Ik gniffel om die slim gevonden uitweg, maar hou m’n poot stijf. “Rara, waar is de trein nu?” Met frisse tegenzin gokt ie maar eens op Arnhem, uiteindelijk komt Nijmegen in ‘m op. Hij houdt niet van die raadseltjes. Misschien is het z’n leeftijd, maar ik merk dat het ‘m niet echt interesseert. Als ik in Dieren op het station vraag in welke richting Arnhem ligt, wijst ie gerust richting Zutphen. Het blijft niet plakken.

Het is geen ramp natuurlijk. Iedereen oriënteert zich op z’n eigen manier. Ik ken genoeg mensen die moeiteloos functioneren, zonder veel besef van de ruimte om hen heen. Maar ik kan me er weinig bij voorstellen. Nederland, met z’n steden, dorpen en landschappen. De verbindingen en grenzen daartussen. Het voelt voor mij als een groot huis met kleurrijke kamers, het huis waarin ik mag wonen. Ik kan me niet voorstellen dat ik in m’n eigen huis de weg niet zou weten.

Misschien is het wel een beroepsdeformatie, het zo bewust zijn van de ruimte om me heen. Ik zie het ook bij vakgenoten, die planologenogen. Net zoals ik ze zie bij stedenbouwkundigen, geografen, (landschaps)architecten en civieltechneuten. Maar kijken we zo naar het landschap omdat we er beroepsmatig aan sleutelen? Of hebben we ons beroep gekozen omdat we die ruimte zo interessant vinden? Hoe dan ook, ik vind het fijn dat ik mijn werk mag doen in een context die me zo aan het hart gaat.

’s Avonds trein ik terug naar het Oosten. In Zuid-Beveland is het uitzicht prachtig. Doorkijkjes naar de Oosterschelde noordelijk van ons en de Westerschelde in het zuiden. Achter de dijk de bovenkant van een containerschip, op weg naar Antwerpen. We kruisen het Kanaal door Zuid-Beveland en daarna het Kreekrak, met haar imposante sluizencomplex. En niet lang daarna, als het spoor naar het noorden afbuigt: de Brabantse Wal, met Woensdrecht en Hoogerheide tegen de glooiing geplakt. Die overgang van Zeeuwse klei naar Brabants zand; met zo’n uitzicht heb je geen boek nodig.

Als we door Noord-Brabant rijden, merk ik dat ik wat moeite heb het landschap te lezen. Het ritme van de Brabantse stedenrij is natuurlijk onmiskenbaar. Maar daartussen ontbreken voor mij duidelijke ijkpunten. Toch is het zonneklaar dat we in Zuid-Nederland zijn. De bouwstijl, het zandkleurige metselwerk; Gerard van Maasakkers noemt het in een van zijn liedjes ‘Land van zand’. Zo raak. De vraag die rond Den Bosch in me opkomt: zou ik aan het landschap kunnen zien wanneer ik Oost-Nederland heb bereikt? En: Hoe vertelt het landschap me dat?

Voorbij Oss geniet ik als we de Maas oversteken, via de stalen rammelbrug bij Ravenstein. Weer in Gelderland, maar het gebied rond Wijchen voelt nog steeds als Zuid-Nederland. En dan Nijmegen. Dat ligt toch echt in Oost-Nederland. Maar voor mij is het een zuidelijke stad, die ik ook in Limburg of Noord-Brabant zou kunnen plaatsen. Wat ik ook zoek: in het gebied rond Elst vind ik het niet. De nieuwbouw in de Waalsprong, Westeraam en Schuytgraaf: het zou overal kunnen liggen. Het Betuws landschap is hier uitgegumd en vervangen door een stedelijk tapijt. Geweven door mensen, niet door moeder natuur.

Maar dan toch: zodra we de Nederrijn bereiken, is het duidelijk. Hier begint Oost-Nederland. De trein rijdt nu recht op de stuwwal af. Links de Rosandepolder, rechts Meinerswijk en Arnhem. Het landschap wordt ruwer, de bebouwing wordt rustieker en voegt zich meer naar het natuurlijk landschap. Hier heb ik echt het gevoel dat ik, terwijl ik door het huis Nederland loop, een andere kamer binnen ga. Maar, zo duidelijk als ik dit ook voel, kan ik niet goed verklaren hoe het landschap me dat vertelt. Misschien is het gewoon een onzinnige vraag en fluistert het landschap iedereen een ander antwoord in.