Beste Mees,

Beste Mees,

Beste mees,

ButtonButton

Vandaag was ik even bij je op bezoek, bij jou en je vrouw. Een toevallige ontmoeting, omdat ik op zoek was naar iets dat jij verkocht via Marktplaats. Een slijptafeltje, om schaatsen mee te slijpen. Ik koop geregeld dingen via Marktplaats. Vaak probeer ik dan te raden met wat voor persoon ik te maken heb, afgaande op de advertentietekst of de mailberichtjes die de verkoper me stuurt.

Toen ik je advertentie zag, gokte ik eerst dat je van mijn leeftijd was. En een schaatser natuurlijk, anders zou je geen slijptafeltje aanbieden. Toen we het eens waren geworden over de prijs belden we even, om een ophaalmoment af te spreken. Je legde me uit hoe ik het beste naar je toe kon rijden. En ook toen het me al helemaal duidelijk was hoe ik je huis kon vinden, bleef je me geduldig meer tips en aanwijzingen geven. Ik begon te vermoeden dat je wat ouder was dan ik.

Toen ik bij je aanbelde, zag ik dat je inderdaad wat ouder was dan ik. Ruim twee keer zo oud, de 80 voorbij. Je woonde in een opa-en-oma-huis, uit de keuken kwam opa-en-oma-etenslucht. Je nam me mee naar de kelder, waar je kleine werkbank stond. Al je gereedschap netjes geordend. Het slijptafeltje had je klaargezet, het zat nog in z’n originele verpakking. Elk onderdeel netjes in krantenpapier gerold, zodat het aluminium niet zou krassen. Alles pakte je geduldig uit, om te tonen dat het nog in goede staat was. Het tafeltje moest in elkaar worden gezet, om te tonen dat alles compleet was. Je nam uitgebreid de tijd en ik vond dat fijn. Je deed me denken aan m’n eigen opa, die ook altijd alles met veel geduld deed. Met aandacht, zorgvuldig. Nooit half werk.

Het slijptafeltje was te koop, omdat je je schaatsen aan de wilgen had gehangen. Je had in je leven veel geschaatst vertelde je, toertochten vooral. Maar het was nu genoeg geweest. Het was een keer klaar, vond je. En een harde val kan voor een tachtiger naar uitpakken natuurlijk. Om eerlijk te zijn vond ik je eruitzien alsof je zo nog 50 km over de Friese meren kon schaatsen. Maar je vertelde nuchter en resoluut dat het nu tijd was om zaken af te bouwen en spullen op te ruimen. Ik werd er wat weemoedig van, ik meer dan jij geloof ik.

Toen ik eenmaal thuis was, pakte ik het slijptafeltje weer uit om het te proberen. Ik weet niet waarom, maar het voelde alsof ik het voorzichtig moest behandelen. Rustig en geduldig, met aandacht. Toen ik alle onderdelen uit hun verpakking van krantenpapier haalde, vielen me vier onderdeeltjes op die je in al je geduld toch niet had getoond, daar in je kelder. Het waren vier metalen ringetjes. Uiteraard lagen die niet lukraak in de doos. Nee, je had ze aan een draadje geregen, zo’n binddraadje dat je in een rol vuilniszakken vindt. Natuurlijk had je dat gedaan.

Mijn schaatsen zijn nu weer scherp en het slijptafeltje zit weer in de doos. Alle onderdelen weer verpakt in krantenpapier, de ringetjes weer aan hun draadje geregen. Ik heb me voorgenomen om dat in ere te houden. Waarom weet ik niet precies. Ik denk omdat het voor mij staat voor iets waardevols. Het staat voor aandacht, en zorgvuldigheid. Netjes met spullen omgaan, je hoofd bij één ding tegelijk hebben. Iets af maken voor je aan het volgende begint. Daar ga ik bij stilstaan, elke keer als ik na het schaatsen slijpen de ringetjes weer aan hun binddraadje rijg.

Groeten uit Wijhe

Groeten uit Wijhe

Groeten uit Wijhe

ButtonButton

Wijhe, juni 2015. Ik zit op een stenen bank in de Langstraat, voor de kerk. Links van me klinken gezellige geluiden, afkomstig van het terras van café ’t Praothuus. Schuin tegenover me, aan de overkant, ligt boekhandel Schippers. Kleurrijke reclameborden proberen me te verleiden een kraslot te kopen. Achter de winkelruit staan draairekjes met ansichtkaarten. Groeten uit Wijhe, ongetwijfeld.

Lang geleden zat op precies die plek ook al een boekhandel, van Van Dillen. En kon je hier ook ansichtkaarten kopen. 70 jaar geleden namelijk, om precies te zijn op maandag 7 mei 1945, stopte op deze plek in de Langstraat een boerenkar, voortgetrokken door een paard. Vier jonge mannen in blauwe overall stapten af om even te pauzeren. Geen van hen kwam uit Wijhe. Eén kwam uit Zaandam, een ander uit het Limburgse Heijen. De twee laatsten waren minder ver van huis, ze kwamen uit Deventer en Gramsbergen. Ze kochten ansichtkaarten voor thuis. Groeten uit Wijhe, ongetwijfeld.

Ik probeer het me voor te stellen, vanaf het bankje voor de kerk. Een zonnige meidag, twee dagen na de capitulatie van de Duitsers in Nederland. De bevrijding gonsde door het hele land. Opluchting, gelach, rood wit blauw. En mooi weer op de koop toe. Maar ook onduidelijkheid. Een wisseling van de wacht, waarbij niet meteen duidelijk was wie waarover besliste. Hoe dan ook: de sporen van de oorlog moesten worden uitgewist. En dat was waar deze vier mannen die dag mee bezig waren geweest. Ze waren lid van de IJsselcompagnie, onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten.

Dappere verzetsmensen. Avonturiers. Een zooitje ongeregeld. Wie zal het zeggen? Misschien wel van alles een beetje. Ze waren niet bang om door te pakken, dat gevoel heb ik wel. Misschien voelden ze zich wel onoverwinnelijk, in die prachtige meidagen. Paard en kar hadden ze die dag gevorderd bij een boer. Er werd in de omgeving van Wijhe allerlei wapentuig gevonden. Munitie, springstof, mijnen. De voormalige vloerzeilfabriek in Wijhe was door de Binnenlandse Strijdkrachten in gebruik genomen als hoofdkwartier en wapenkamer. Veel wapentuig werd hier naar toe gebracht en opgeslagen. Ook deze zevende mei had dit viertal een vrachtje opgehaald. 16 landmijnen lagen los achterop de kar. De ontstekingen niet verwijderd.

In gedachten zie ik de mannen opstappen, de kar zet zich weer in beweging. Ook ik stap op en wandel achter ze aan. We passeren de prachtige stellingmolen als we de Molenbelt in lopen. Ik zie de mijnen achterop de kar voor me en wil niet denken aan hoe hobbelig het plaveisel destijds zal zijn geweest. Ik probeer te schatten wanneer de bebouwing langs de straat is ontstaan. Welke huizen de mannen in 1945 ook gezien kunnen hebben. Tevreden stel ik vast dat er nog de nodige overeenkomsten tussen toen en nu moeten zijn. Dat geeft me een prettig gevoel. Omgekeerde nostalgie, zoiets. Wijhe is een mooi dorp.

Even verderop rijdt de kar vanuit de Molenbelt de Enkweg in en slaat dan al snel rechtsaf. Ik zie ze niet meer. Wel is me duidelijk dat het dorpslandschap van nu heel anders is dan in 1945. Ik sta langs de Raalterweg. De bebouwing aan de overkant, waar ik de kar zojuist zag verdwijnen, is zonder enige twijfel naoorlogs. Een groot, log pand. Praktisch, maar inspiratieloos ontworpen. Er zitten meerdere bedrijven in. Een bouwmarkt, een beddenboer. Een ballenbak met gekleurde speelkooien. Het contrast met de goeddeels intacte dorpskern kan bijna niet groter zijn. En hoewel dit soort situaties niet zeldzaam is – stadsvernieuwing heeft ons landschap meer ingrijpend veranderd dan de oorlog – weet ik dat hier iets anders is gebeurd.

Op deze plek stond namelijk de oude vloerzeilfabriek, waar de boerenkar met de vier mannen zojuist, even na vijf uur ’s middags is aangekomen. Wat er vlak daarna precies fout is gegaan heeft niemand kunnen navertellen. Ik probeer me een voorstelling te maken van de verwoestende explosies, toen alle opgeslagen munitie, granaten, springstof en mijnen het fabriekscomplex grotendeels wegvaagden. De vier mannen kwamen om, samen met nog 15 anderen. 19 doden, onder wie 6 kinderen die op dat moment vlakbij aan het spelen waren.

Aan de zijgevel van het saaie bedrijfsgebouw, vlakbij de hoek, is een klein, marmeren gevelplaatje bevestigd. Het verraadt dat er op deze plek iets te herdenken valt. Het fluistert het haast, zo klein als het is. Alsof het de ramp nooit wil vergeten, maar er eigenlijk niet over wil praten. Wijhe vierde de bevrijding pas eind juli.

Hoe Dieren een park kado kreeg

Hoe Dieren een park kado kreeg

Hoe Dieren een park kado kreeg

ButtonButton

Mijn vorig blog eindigde wat in mineur, moet ik bekennen. Dieren, dat groter groeide dan voorbestemd, stedenbouwkundig uit balans raakte en verminkt werd door een vierbaans provinciale weg. Tjonge, het is nogal wat. Met alleen zo’n pessimistische boodschap zou ik het dorp echter tekort doen. In dit blog dan ook aandacht voor één van de mooiste plekjes van Dieren: het Carolinapark. Een park dat het dorp zo’n beetje cadeau kreeg.

De Veluwezoom heeft altijd een aantrekkingskracht uitgeoefend op mensen in goeden doen; zij bouwden hun buitenhuis op de flanken van het Veluwemassief. Je vindt deze buitenplaatsen van Wageningen tot Zutphen. Grote landhuizen met prachtige tuinen; sommige bluffen een beetje en doen zich voor als een echt kasteel. Ook rond Dieren ontstonden buitenplaatsen. ‘Hof te Dieren’ groeide zelfs uit tot letterlijk een royale buitenplaats: het werd het favoriete jachtslot van Stadhouder-koning Willem III. Kijk, daar kun je mee thuiskomen.

Eén van de oudste, maar minder bekende buitenplaatsen ontstond midden in Dieren. Aan de Hogestraat vind je een statig pand terug, dat haar huidige vorm in de 19e eeuw verkreeg. We maken een tussenstop in de tijd. 1855: het geboortejaar van Jeantine Haitzema Viëtor, telg uit de notabele familie Viëtor, die destijds het pand aan de Hogestraat bewoonde. Jeantine had nog een zusje, maar dat overleed op vierjarige leeftijd. Enig kind Jeantine bleef vrijgezel en kwam in het dorp aldus als ‘Mejuffrouw Viëtor’ bekend te staan. Zo ging dat destijds.

Stationshal Arnhem Centraal

Mejuffrouw Viëtor heb ik natuurlijk niet persoonlijk gekend. Op basis van foto’s en verhalen heb ik een beeld van haar gevormd. Een lachebek leek ze me niet, zo op het eerste gezicht. Op foto’s waarop ze staat, kijkt ze serieus, soms zelfs een beetje nors. Toch hield ze ook van zingen, wat natuurlijk best een vrolijke bezigheid is. En een foto maken, dat was in die tijd natuurlijk een plechtige bezigheid. Niet iets om bij te lachen, zullen mensen destijds gedacht hebben. Afijn.

Jeantine Viëtor bestierde het familiekapitaal als een bedrijf. Ze gaf daarbij blijk van zakelijk inzicht en voortvarendheid. Zo verkocht ze 200 hectare bos uit het familiebezit en belegde ze een deel van haar vermogen in de bouw van vastgoed. Tegelijkertijd kon ze ook heel goed op de kleintjes letten. Het verhaal gaat dat ze, toen een elektrische straatlantaarn voor haar woning werd geplaatst, haar slaapkamer naar de straatkant verplaatste zodat ze zich bij het licht van de straatlantaarn kon omkleden en zelf geen licht hoefde te maken. Toch slim.

Zo zuinig als ze kon zijn, spaarde ze kosten noch moeite om het huis en bijbehorende grote tuin in topconditie te houden. Die prachtige tuin. Haar grote liefhebberij, waar ze zoveel tijd doorbracht. Er was een vijver, een kwekerij, er werden groenten en fruit gekweekt en er waren diverse borders met bloemen en exotische planten. Het moet een prachtig geheel geweest zijn. Exotische planten konden overwinteren in een oranjerie, mede voor dit doel gebouwd.

Toen mejuffrouw Viëtor in 1941 overleed, werd de uitvoering van haar testament in gang gezet. Zo werd er een stichting in het leven geroepen, die tot taak had haar nalatenschap te beheren en hieruit uitkeringen te doen aan behoeftige personen en noodlijdende verenigingen en instellingen. Deze Hendrika Johanna Stichting bestaat nog steeds. Ook plofte er bij de gemeente Rheden een brief op de mat. De gemeente kreeg in die brief het woonhuis aan de Hogestraat voor een schappelijke prijs aangeboden, inclusief de tuin met alle bijbehorende opstallen. 

Mejuffrouw Viëtor heb ik natuurlijk niet persoonlijk gekend. Op basis van foto’s en verhalen heb ik een beeld van haar gevormd. Een lachebek leek ze me niet, zo op het eerste gezicht. Op foto’s waarop ze staat, kijkt ze serieus, soms zelfs een beetje nors. Toch hield ze ook van zingen, wat natuurlijk best een vrolijke bezigheid is. En een foto maken, dat was in die tijd natuurlijk een plechtige bezigheid. Niet iets om bij te lachen, zullen mensen destijds gedacht hebben. Afijn.

Jeantine Viëtor bestierde het familiekapitaal als een bedrijf. Ze gaf daarbij blijk van zakelijk inzicht en voortvarendheid. Zo verkocht ze 200 hectare bos uit het familiebezit en belegde ze een deel van haar vermogen in de bouw van vastgoed. Tegelijkertijd kon ze ook heel goed op de kleintjes letten. Het verhaal gaat dat ze, toen een elektrische straatlantaarn voor haar woning werd geplaatst, haar slaapkamer naar de straatkant verplaatste zodat ze zich bij het licht van de straatlantaarn kon omkleden en zelf geen licht hoefde te maken. Toch slim.

Zo zuinig als ze kon zijn, spaarde ze kosten noch moeite om het huis en bijbehorende grote tuin in topconditie te houden. Die prachtige tuin. Haar grote liefhebberij, waar ze zoveel tijd doorbracht. Er was een vijver, een kwekerij, er werden groenten en fruit gekweekt en er waren diverse borders met bloemen en exotische planten. Het moet een prachtig geheel geweest zijn. Exotische planten konden overwinteren in een oranjerie, mede voor dit doel gebouwd.

Toen mejuffrouw Viëtor in 1941 overleed, werd de uitvoering van haar testament in gang gezet. Zo werd er een stichting in het leven geroepen, die tot taak had haar nalatenschap te beheren en hieruit uitkeringen te doen aan behoeftige personen en noodlijdende verenigingen en instellingen. Deze Hendrika Johanna Stichting bestaat nog steeds. Ook plofte er bij de gemeente Rheden een brief op de mat. De gemeente kreeg in die brief het woonhuis aan de Hogestraat voor een schappelijke prijs aangeboden, inclusief de tuin met alle bijbehorende opstallen.

Aan deze aanbieding waren wel voorwaarden verbonden. Zo moest dit alles een bestemming krijgen, ‘geheel ten nutte en ter verfraaiing van het dorp Dieren’. Ook had Jeantine Viëtor bepaald dat de opstallen nooit gebruikt mochten worden voor ‘inrichtingen van godsdienstigen aard, scholen, cafés, kantoren of fabrieken’. Klare taal; ruimtelijke ordening via overerving, geregisseerd door een dame die wist wat ze wilde.

De gemeente hoefde over dit aanbod niet lang na te denken. Een openbaar wandelpark had Dieren nog niet en voor alle gebouwen zou vrij eenvoudig een nieuwe bestemming gevonden kunnen worden. Na enig handjeklap werd de deal gesloten. Een schot in de roos, wat mij betreft. Met het Carolinapark beschikt Dieren over een prachtig park met unieke kwaliteit, iets dat in de huidige tijd niet eenvoudig meer kan worden gerealiseerd. Moraal van dit verhaal: plekken als deze kun je maar één maal redden.

Park- en Rijntoren Arnhem
Park- en Rijntoren Arnhem

Halverwege Ulft en Apeldoorn

Halverwege Ulft en Apeldoorn

Halverwege Ulft en Apeldoorn

ButtonButton

“Deze trein zal nog stoppen te Dieren, Zutphen, Deventer, Olst, Wijhe en heeft als eindbestemming Zwolle.” Hoe vertrouwd klinkt dit omroepbericht in de trein; die riedel haltes langs de IJssellijn. Moest ik je uitleggen waar Dieren ligt, zou ik het dan ook al snel “halverwege Arnhem en Zutphen” plaatsen. Dit is deel twee in een serie blogs over de zoektocht naar het ‘Dierens DNA’. Wat heeft dit dorp aan de IJssel gemaakt tot wat het is? Hoe is deze geschiedenis in het huidige dorp en haar bewoners zichtbaar? En wat betekent dit voor de toekomst van Dieren?

Zou ik zeggen dat Dieren “Halverwege Ulft en Apeldoorn” ligt, denk ik dat je me wat glazig zou aankijken. Toch was dit in het verleden een betekenisvolle route. Pak de kaart er maar eens bij en verplaats jezelf naar, pak ‘m beet, 1930. Trek dan een lijn tussen Ulft en Doesburg. Langs de Oude IJssel, waar sinds eind 17e eeuw een bloeiende ijzerindustrie was ontstaan door de beschikbaarheid van ijzeroer én bevaarbaar water. Gieterijen als DRU, Ferro, Pelgrim, Snoeck & Boon, Vulcanus of Ubbink. Bekende namen, een aantal bestaat nog steeds.

Bij Doesburg mondt de Oude IJssel uit in de IJssel. We trekken de lijn door. Eén meander stroomafwaarts belanden we in Dieren en daarmee bij het begin van het Apeldoorns Kanaal. Hier vonden we destijds de Emaillefabriek de Yssel: Edy. Ook bedrijven als Gazelle en Lepper kunnen tot de staalverwerkende bedrijven worden gerekend. Ulft-Dieren: in onze tijd hadden handige marketeers het vast tot ‘Steel Valley’ gebombardeerd. Destijds maakte men er minder woorden, maar vooral zijn handen aan vuil.

Het vervolg van de route naar Apeldoorn is evengoed industrieel. Waar langs de Oude IJssel de ijzeroer de ontwikkeling aanjoeg, was het hier het sprengenwater dat aan de stuwwal werd onttrokken. Niet alleen werden met dit stromende water molens aangedreven; ook was het van zo’n goede kwaliteit dat het geschikt was voor papierproductie. Nog steeds zijn in Eerbeek papier- en kartonfabrieken gevestigd. Ook ontstonden hier diverse wasserijen, sommige nog steeds in bedrijf. Ulft-Apeldoorn: ooit een aaneenschakeling van bedrijvigheid.

Waar blijft Dieren in dit verhaal? Wel, op een kruispunt. De route langs de IJssel was historisch relevant, oostelijk om de woeste gronden heen. Dieren lag aan deze route, rustig en idyllisch te wezen. De aanleg van de IJssellijn (1865) en het doortrekken van het Apeldoorns Kanaal naar Dieren (1868) veranderde deze situatie. Toen er in 1881 een tramverbinding met Doetinchem / Duitsland en in 1887 ook nog een directe spoorverbinding met Apeldoorn bij kwam, was multimodaal knooppunt Dieren compleet.

Aan een doorgaande route lig je goed, op een knooppunt lig je fantastisch. Al snel vestigde zich dan ook een aantal industriële bedrijven in Dieren. Met deze bedrijven volgden werknemers en Dieren groeide gestaag. De infrastructuur bepaalde in sterke mate de groeirichting van het dorp. Ruitvormig, in noordwestelijke richting van haar oorspronkelijke centrum vandaan groeiend.

Dieren piekte te vroeg, zo bleek echter. Geëmailleerd ijzer verloor het van RVS, Teflon en Tupperware. De tram verloor het van autobus en vrachtwagen en verdween midden jaren ’50. Het Apeldoorns Kanaal bleek te smal om rendabel te zijn en werd gesloten in 1972, een jaar of tien later gevolgd door de spoorverbinding met Apeldoorn. Knooppunt Dieren hield op te bestaan; Dieren werd weer een halteplaats aan de route langs de IJssel. Inmiddels heel wat minder rustig en heel wat minder idyllisch: de groei van het wegverkeer was immers niet van de lucht.

Het wegennet werd dan ook opgeschaald. Grootse plannen voor een autosnelweg tussen Arnhem en Deventer werden slechts deels gerealiseerd: de A348. Bij Dieren houdt deze echter op en moet alle verkeer zich via de N348 door het dorp heen wringen. Deze weg, die Dieren behoorlijk heeft verminkt, is in 1959 aangelegd als een tijdelijke oplossing. Het eigenlijke plan was de autosnelweg door te trekken, direct oostelijk om Dieren heen. Ongetwijfeld had dit het IJsseldorp Dieren nog veel ernstiger verminkt, maar dat terzijde.

De verkeersaders die ooit de motor achter de groei van Dieren waren, veranderden in een last voor het dorp. De N348 had het dorp bruusk in tweeën gesplitst, een situatie die erger werd naarmate de verkeersstroom aanzwol. De bedrijven langs het kanaal waren niet langer ontsloten via vaarwater. In plaats van goederen werden nu vooral forensen vervoerd, die pendelden naar hun werk bij AKZO in Arnhem of ENKA in Ede.

Wie naar de wegenkaart van nu kijkt, ziet dat Dieren geen centrale plek meer is. De vooruitgang heeft anders beslist. Dit is misschien wel de tragiek van het dorp. Een korte tijd knooppunt, waardoor het groter groeide dan voorbestemd. Achtergebleven met een verkeerskundige en stedenbouwkundige anatomie, die even interessant als gebrekkig is. De plannen voor de traverse zullen de pijn ongetwijfeld verzachten en het dorp weer wat meer tot een geheel smeden. Het dorp weer met zichzelf in evenwicht te brengen, vraagt echter heel wat meer.