Papertrail

Papertrail

Papertrail

ButtonButton

Af en toe help ik mee met het inzamelen van oud papier voor de voetbalclub. We gaan dan op zaterdagochtend met een groep vrijwilligers op pad. Ik vind het gezellig, zo achterop de treeplank van de vuilniswagen. Een ochtendje zeulen met containers, bundels kranten en dozen. Gratis fitness. Met als bonus: een inkijkje in het leven van de dorpsbewoners.

Een dorp of een stad zie ik graag als een organisme. Het leeft en verandert steeds een beetje van vorm. Buurten en wijken zijn de lichaamsdelen, in wegen en kleinere straatjes kun je makkelijk een bloedvatenstelsel zien. Het centrum, dat is het hart en het hoofd tegelijk. Daar komt alles samen. Parken en plantsoenen, dat zijn natuurlijk de longen. Daar halen we adem en vinden we balans.

Het is een handige vergelijking. We willen immers dat dorpen en steden gezond zijn. Dat vaten niet verstoppen, dat het hart krachtig klopt en dat de longinhoud niet onder kritische waarden komt. Maar als je écht wil weten hoe een dorp of stad in elkaar steekt, dan moet je preciezer kijken. Dan moet je spreekwoordelijk bloed prikken, doordringen tot daar waar de mensen wonen. Maar ja, privé blijft toch privé. Daar tonen we ons niet zomaar aan alles en iedereen.

Behalve als we ons oud papier buiten zetten. Als we op zaterdagochtend door het nog slapende dorp rijden, levert al dat oud papier een prachtig inkijkje in ons leven achter de voordeur. Een papertrail, letterlijk. Het meeste papier zien we niet, dat zit immers in ondoorzichtige bakken. Maar niet overal. En soms gaat het legen van een container mis. Dan keilt het papier op straat en mogen wij op de knieën om alles bijeen te rapen.

Maar wat kun je dan lezen in al dat papier? Nou, om te beginnen heb je al snel een indruk van de gezinssituaties. In buurten met jonge gezinnen kom je veel bezorgdozen van webwinkels tegen. Daar wordt gestaag aan de uitzet gebouwd: speelgoed, tuinsets en breedbeeldtelevisies. Ook een classic: pizzadozen en slordig geplette verpakkingen van Knorr wereldgerechten. Gemak voor gezinnen waar het altijd spitsuur lijkt te zijn. Laatst moest ik glimlachen om een boodschappenlijstje, gekrabbeld in het handschrift van een meisje van een jaar of tien. Bovenaan: Iglo vissticks. Met hartjes boven de i’s.

Daar waar ouderen wonen zie je veel minder sporen van grote aankopen. In elk geval niet het soort aankopen dat in kartonnen dozen wordt geleverd. Ook de bezorgpizza is daar duidelijk minder in trek. En -opvallend- het papier wordt daar dikwijls nog op de ouderwetse manier aan de straat gezet. In bundeltjes. En dan nette bundeltjes hé, niet slordig bij elkaar gesmeten. Het keurigste bundeltje? Toch elke keer weer die stapel NRC’s. Onberispelijk gevouwen, in het gelid gestapeld en strak samengebonden. Ik durf te wedden dat ze ook op datum gesorteerd zijn.

Zulke extreme keurigheid is trouwens zeldzaam. Je komt ook de nodige rommel tegen. En eerlijk is eerlijk, in de buurten waar je rotzooi verwacht, tref je het ook het meest aan. Letterlijk. Blokken piepschuim, gipsplaten, bakstenen, alles discreet bedekt onder een laagje reclamefolders. Het klapstuk? Een halve stuurinrichting van een personenwagen. De oud ijzerboer zou jaloers op ons zijn geweest.

Het zijn zomaar wat voorbeelden, die tonen hoe dat papieren spoor iets vertelt over de verschillen tussen buurten en wijken. Het spoor vertelt echter nog iets belangrijkers, namelijk dat we vooral ook heel veel hetzelfde doen. We kopen veel dezelfde boodschappen, lezen dezelfde reclamefolders en verscheuren blauwe enveloppen op dezelfde nijdige manier. We willen allemaal heel graag uniek zijn, maar lijken toch vooral heel erg veel op elkaar, daar achter de voordeur.

Kulturschock am Wattenmeer

Kulturschock am Wattenmeer

Kulturschock am Wattenmeer

ButtonButton

Duitsers zijn serieus, ordelijk, plichtsgetrouw en gevoelig voor regels en hiërarchie. Bekende en gangbare vooroordelen die we er in Nederland over onze oosterburen op na houden. En hoewel ik niet zo van vooroordelen hou, kon ik er dit weekend echt niet om heen: Ordnung muß sein. In ieder geval aan de Duitse waddenkust.

Ik logeerde een paar dagen bij vrienden in Bremerhaven, een boeiende stad waar Weser en Wadden elkaar ontmoeten. Eén van die dagen zwierven we wat door de omgeving en volgden de kust richting Cuxhaven. Het kustgevoel te pakken krijgen was nog niet zo eenvoudig. Land en water zijn op de meeste plekken resoluut van elkaar gescheiden door een hoge grasdijk. Slaperige dorpjes doen in niets vermoeden dat je aan de kust bent. Dat wordt hoogstens verklapt door een verdwaalde zeemeeuw die uitrust op een lantaarnpaal.

Nee, het strandtoerisme is aan de Duitse waddenkust nog niet overal tot bloei gekomen. Nou ja, ‘strand’. De overgang tussen dijk en slib waarin je tot je knieën wegzakt, is natuurlijk niet echt een bountystrand. Deze plek trekt wadlopers en vogelaars, maar geen zonaanbidders, kuilengravers en zandkastelenbouwers. Die gaan liever naar Ibiza, Mallorca of Walcheren. Maar plotsklaps was het daar dan toch. In de buurt van het plaatsje Dorum stond het ineens heel duidelijk op een wegwijzer: Strand! Dat wilden we wel eens zien.

Even verderop konden we inderdaad de dijk oversteken. Vaag kwam nog even de gedachte in me op dat het jammer was dat we geen zwemspullen bij ons hadden. Maar dat duurde niet lang. Ja, achter de dijk zagen we inderdaad de prachtige weidse Waddenzee. We zagen echter ook dat tussen ons en het water een haast onneembare vesting was gebouwd. Hekken. Slagbomen. Verbodsborden. Waarschuwingsborden. En nog meer hekken. Waren we verkeerd gereden en per ongeluk bij een penitentiaire inrichting beland?

Helaas niet. Dit was toch echt het lokale strand. Voorzien van een horecapaviljoen, ligweide met strandcabines, parkeerplaatsen en een zwembad. En, ik zei het al, een onnoemelijke hoeveelheid hekken en borden. Want voor al die Freizeitinfrastruktur moet natuurlijk wel entree betaald worden, da’s de spelregel. En die regel moet natuurlijk nageleefd worden.

Stationshal Arnhem Centraal
Stationshal Arnhem Centraal

Het was een vervreemdende en verdrietig makende ervaring. De weidsheid van de kust, de eindeloze zee, opgesloten tussen hekken. Een gekooid landschap, met een horizon die je alleen tussen tralies door kunt bekijken. Tenzij je ervoor wil betalen natuurlijk. Dan mag je het poortje door. Ik zal u niet vermoeien met de historische associatie die deze hoeveelheid hekken en controlepoorten bij ons opriep. Die komt ongetwijfeld ook bij u op.

Het zette me aan het denken. Afgezien van het deprimerend karakter van deze plek, van de vervreemding die ze oproept, is er iets heel onlogisch aan de redenering die achter dit alles schuil lijkt te gaan. Het zit ‘m in het verdienmodel denk ik. Als je een plek ‘te gelde’ wil maken, zorg je er in eerste instantie voor dat ie aantrekkelijk is voor bezoekers. Bezoekers moet je met open armen ontvangen. Ze leiden immers tot inkomsten en met die inkomsten kun je investeren in faciliteiten.

Hier lijkt een omgekeerde route te zijn gevolgd. De zee en het weids uitzicht, dat was er al. Gratis verzorgd door moeder natuur. Er zijn faciliteiten bij gebouwd en die moeten worden gefinancierd met entreegeld. En om de betaling van entreegeld af te dwingen, is het mooi zeegezicht verminkt met kilometers hekwerk en talloze controleposten, waardoor de toerist nu moet inchecken in een soort interneringskamp aan zee. Niet langer staat de aantrekkelijkheid van de plek centraal, maar een bedachte set regels die moet worden afgedwongen.

De wereld op z’n kop, als ik het zou mogen zeggen. Maar ja, wat wil je? Ordnung muß sein.

Park- en Rijntoren Arnhem

Onder de papklok

Onder de papklok

Onder de papklok

ButtonButton

Afgelopen oktober waagden we de sprong over de IJssel. We verkasten van Dieren naar Doesburg. Slechts vijf kilometer verderop, een steenworp afstand. Maar toch naar een andere wereld. Dieren is Veluwezoom, Doesburg is Achterhoek. Dieren is een dorp, Doesburg een stad. Dieren is veel groter geworden dan ooit bedoeling leek, Doesburg is juist kleiner gebleven. U begrijpt, genoeg verwondering over het hoe en waarom van dat alles.

Dat stad-en-dorp-gedoe, dat vind ik opmerkelijk. Dieren heeft ruim vijftienduizend inwoners, Doesburg komt nog niet aan de twaalfduizend koppen. In Dieren, daar stap je elk half uur uit de Intercity. Voor Doesburg moet je voor de laatste kilometers nog een streekbus pakken. In Dieren, daar kun je met je liefje zoenen in de fietsenstalling van een middelbare school. Kom daar in Doesburg maar eens om.

Zo bekeken lijkt het zo klaar als een klontje. Die stadsrechten, die in 1237 door Graaf Otto II aan Doesburg zijn toegekend, die had ie achteraf gezien net zo goed in Dieren kunnen laten bezorgen. Maar toch is er tegelijkertijd geen twijfel mogelijk: Dieren is onmiskenbaar een dorp en Doesburg is een echte stad. Oké, een stadje van niks, als je naar de omvang kijkt. Maar, zo redeneert de Doesburger, groter is heus niet altijd beter.

Waar zit ‘m dat dan in, dat ‘stad zijn’? In de tijd van Otto II, toen intercity’s en fietsenstallingen nog geen noemenswaardige rol speelden in ons dagelijks leven, betekende dat het recht om tol te heffen, om een markt te houden, of om recht te mogen spreken. Dat tol heffen en rechtspreken, dat gebeurt in Doesburg allang niet meer. Markten, die zijn er natuurlijk nog volop. Maar maakt een markt een stad, zoals kleren de man maken? Dat betwijfel ik.

Nee, ik denk dat je het tegenwoordig in andere dingen moet zoeken. Bijvoorbeeld in een zelfbewustzijn, een trots die stadsbewoners eigen is. Dat zit in Doesburg wel snor. Het IJsselstadje speelt haar stadse troeven vol overgave uit, ongeacht hun feitelijke relevantie voor de stad anno nu. Het lidmaatschap van het Hanzeverbond. Het historische, nog goeddeels intacte stadshart. De militaire geschiedenis, het moderne IJsselfront. Haar culturele leven. Mosterd, mosterdsoep en mosterdsoepwedstrijden. Een bonte verzameling insignes, die de stad door de eeuwen heen opgespeld heeft gekregen. Of zichzelf heeft opgespeld.

Doesburgs volkslied

De Doesburgers zijn oprecht trots op die dingen. En dan maakt het niet eens zo gek veel uit of ze in Doesburg zijn geboren, of dat ze er nog maar koud zijn komen wonen. Je ziet dat ook met mensen die in Amsterdam gaan wonen. Ze sluiten die stad binnen mum van tijd in hun hart, gaan ‘m na twee weken liefkozend Mokum noemen en mopperen na een maand vakkundig mee over al die toeristen die ‘hun’ stad overspoelen. Een beetje lachwekkend misschien, maar dat is wat een stad met mensen kan doen. Een stad heeft smoel. En, niet onbelangrijk, een stad staat iedereen toe zich met die smoel te vereenzelvigen. Een echte stad, die zit blijkbaar in haar bewoners, in hun vezels.

En eerlijk is eerlijk, ik merk aan mezelf dat ook het kleine, dappere Doesburg al in mijn vezels begint te kruipen. Terwijl ik me toch echt geen Doesburger durf te noemen, na er pas een maand of zeven te hebben gewoond. Het voelt een beetje als met andermans veren pronken, trots te zijn op een stad die ik me toch nog echt niet de mijne kan noemen en waaraan ik op geen enkele manier iets heb bijgedragen.

Tot een paar weken geleden, tijdens een tocht op de racefiets. Het was een mooie voorjaarsavond en ons rondje werd groter dan we ons hadden voorgenomen. We moesten flink op de pedalen om voor donker terug te zijn. De laatste kilometers gingen rechtuit, over de dijk langs de Oude IJssel. Om negen uur hadden we de stad weer bijna bereikt. Dichtbij genoeg om de papklok te horen slaan, hoog in de toren van de Martinikerk. Zoals ie al vele generaties luidt. Negen uur, tijd om terug te komen van buiten, terug naar de veilige beslotenheid van de stad. Toen wist ik het zeker. We zijn bijna thuis. Thuis in de stad die al heel snel de mijne is geworden.

Doesburgs volkslied

“Het is geen vetpot, weet u”

“Het is geen vetpot, weet u”

"Het is geen vetpot, weet u"

bb

Maandagochtend, acht uur. Ik stap de statige monumentale kantoorvilla binnen. Een nieuw jaar, een nieuwe baan. Heb vanochtend m’n nette schoenen aangetrokken en mezelf in een vers gestreken blouse gestoken. Dat is een van m’n voornemens voor dit jaar. Ga altijd netjes naar je werk, neem jezelf serieus. Dan doen anderen dat ook. Hier ben ik immers ‘senior adviseur’, zoals dat heet. Ik ben vastbesloten me daarnaar te gedragen.. geloof ik.

Op weg naar m’n bureau op de zolderverdieping maak ik een tussenstop bij de koffieautomaat. Daar zit ze, in een lichtblauw schort, voorovergebogen boven haar telefoon. Koffie op tafel. Terwijl het apparaat brommend en pruttelend m’n kopje vult, loop ik naar haar toe om kennis te maken. Ze kijkt op van haar telefoon en we schudden elkaar de hand. We wensen elkaar een gelukkig nieuwjaar. Ik vertel dat ik net in dienst ben. Zij vertelt dat ze hier al een tijdje schoonmaakt. “In dit pand werk ik altijd ’s ochtends, tussen 6 en 8.”

Ze is al wat ouder, rond de zestig schat ik. Haar gezicht oogt ondanks haar make-up vermoeid en getekend. Het werk hier vindt ze wel prima. De voorwaarden zijn in orde en het schoonmaakwerk is te doen binnen de tijd die ze eraan mag besteden. Later die dag wacht haar nog een vakantiepark, waar ze een aantal vakantiehuisjes moet schoonmaken. Ze ziet er tegenop. Daar werkt ze voor een ander schoonmaakbedrijf, tegen minder goede voorwaarden. “Dan moet ik van huisje naar huisje. Op een fiets, zie je het voor je? Weet je hoe zwaar zo’n ding is, met al die schoonmaakmiddelen in de tassen? Ik heb al genoeg last van m’n lijf door het werk alleen al. Op een wankele en zware fiets heen en weer zeulen op zo’n park trek ik eigenlijk niet meer.”

Als ik opper dat ze haar werkgever misschien kan vragen of ze op een andere, minder zware plek kan werken, wuift ze dat weg. “Nee, ik heb bij dit bedrijf nu een aantal vaste contracturen opgebouwd. Dan ga je toch niet zo snel moeilijk doen. En voor hetzelfde geld moet ik naar een klus ver weg, die reistijd krijg ik echt niet betaald. En weet u, het uurloon is echt geen vetpot met dat schoonmaken.”

We praten nog even door. Ze beschrijft hoe schoonmaakwerk anno 2018 een zzp-bestaan is, waarbij je bij meerdere schoonmaakbedrijven in dienst kan zijn. Het is een wereld van nul-urencontracten, te verdienen en verliezen ‘vaste’ contracturen, een wereld waarbij ziek zijn onverbiddelijk doorwerkt op je loonstrookje. Een wereld van veel werkzaamheden die op papier wél, maar in de praktijk maar moeilijk in de beschikbare tijd kunnen worden gedaan. Het is een wereld waarin je als werknemer niet veel in te brengen hebt en ontzettend kwetsbaar bent.

Het contrast tussen onze werksituaties voelt pijnlijk groot en niet eerlijk. Want het gaat verder dan een verschil in salaris. Het voelt niet goed, dat een vrouw die m’n moeder zou kunnen zijn, op haar leeftijd nog zo moet sappelen in een kwetsbare arbeidspositie. Dat ze vanuit die kwetsbaarheid werk moet accepteren waar ze feitelijk niet meer toe in staat is, simpelweg omdat ze niet meer over het lijf beschikt dat 25 jaar geleden had. Het maakt me somber. We zijn anno 2018 verdomme toch wel wat beschaafder dan dat?

Ode aan de Vetkampstraat

Ode aan de Vetkampstraat

Ode aan de Vetkampstraat

bb

Sittard, 1985. Thuis is het gezellig druk. M’n opa en een paar ooms zijn op bezoek. Een pilsje op tafel, de kamer geurt naar tabaksrook. Er wordt gepraat over wat komen gaat. Ook op straat is het druk. Over een uurtje zullen de smalle straten in onze buurt vol staan met auto’s en zal een onafgebroken stroom mensen langs ons huis wandelen. En ik geniet van dit ritueel, dat zich om de week voltrekt.

Even later gaan wij ook naar buiten, mee in de stroom voetgangers. Het schemert en vanaf ons huis is de blauwwitte gloed duidelijk te zien, afkomstig van de lichtmasten boven de Baandert. Fortuna speelt vanavond thuis. In de Eredivisie, de Eagles komen op bezoek. Ze komen uit Deventer, vertelt m’n vader. Geel-groen tegen geel-rood. Fortuna wint die avond met 4-0. Geen idee hoe de wedstrijd verliep of wie er scoorde, daar lette ik niet echt op denk ik. Ik kan me vooral herinneren dat ik het spannend vond, zo naar een avondwedstrijd om de hoek.

Een avondje Baandert bestaat al sinds 1999 niet meer. Fortuna wilde vooruit, stadion de Baandert was aan ingrijpende renovatie toe en de gemeente zag het stadionterrein als geschikte woningbouwlocatie. Zaken werden beklonken en een nieuw stadion verrees aan de rand van de stad. Een mooi stadion hoor. Maar ik mis die blauwwitte gloed boven de daken, de opstoppingen, de drommen mensen door de straten. Ik mis het gevoel van ‘samen’, het gevoel dat er iets te gebeuren staat. Als ik op ‘BedrijvenStad Fortuna’ gemakkelijk een parkeerplek vind en naar het ‘Fortuna Sittard Stadion’ in ‘Sportzone Limburg’ wandel, loop ik door een half gebouwde artist impression. Bedacht en beredeneerd, maar niet ontstáán.

Deventer, 2017. We rijden stapvoets tussen fietsers en voetgangers. Ik vind een parkeerplek in een smal straatje. Als we uitstappen, wijst m’n zoontje enthousiast in de verte: “Kijk pap, die kant moeten we uit. Je ziet de lichten al!” We wandelen richting de blauwwitte gloed boven de daken. Hoe dichter we de Vetkampstraat naderen, hoe drukker het wordt. “Ik word altijd een beetje zenuwachtig als we naar een wedstrijd gaan”, vertrouwt ie me toe. Ik herken het wel. Het is dat magische gevoel dat er iets te gebeuren staat.

De Eagles spelen vanavond thuis, in de eerste divisie. Almere komt op bezoek. De Adelaarshorst is prachtig. Zwart geschilderde, vakwerk stalen lichtmasten. Mooi metselwerk en smeedijzeren hekwerken. Je voelt dat het hier is ontstáán en niet is bedacht. De Eagles winnen met 2-1. Ik kan me van de wedstrijd weinig herinneren, behalve dat het hard regende en dat het een leuke pot was. Ik heb vooral zitten genieten. Van de voetbalsfeer, van het stadion. Van de opstoppingen in de smalle straatjes.

En ik heb gehoopt, vurig gehoopt dat niemand op het idee komt dat het ‘vooruit’ moet met de club. Dat een nieuw stadion onmisbaar is om een ‘stabiele eredivisionist’ te worden. Dat dit prachtig stadion moet wijken voor woningen en er ergens aan de rand van Deventer een nieuw stadion wordt gebouwd. Ik hoop dat niets van dat alles gebeurt. Zeker niet vóór vrijdag 6 april 2018. Want dan komt Fortuna Sittard op bezoek in de Adelaarshorst. Dan zie ik m’n favoriete clubje weer, in dit heerlijk stadion. Dan is het Geel-rood tegen geel-groen. En als ze dan het veld op komen en het clublied van de Eagles klinkt… dan zing ik zachtjes m’n eigen liedje, daar in die prachtige Adelaarshorst.

Beste Mees,

Beste Mees,

Beste mees,

ButtonButton

Vandaag was ik even bij je op bezoek, bij jou en je vrouw. Een toevallige ontmoeting, omdat ik op zoek was naar iets dat jij verkocht via Marktplaats. Een slijptafeltje, om schaatsen mee te slijpen. Ik koop geregeld dingen via Marktplaats. Vaak probeer ik dan te raden met wat voor persoon ik te maken heb, afgaande op de advertentietekst of de mailberichtjes die de verkoper me stuurt.

Toen ik je advertentie zag, gokte ik eerst dat je van mijn leeftijd was. En een schaatser natuurlijk, anders zou je geen slijptafeltje aanbieden. Toen we het eens waren geworden over de prijs belden we even, om een ophaalmoment af te spreken. Je legde me uit hoe ik het beste naar je toe kon rijden. En ook toen het me al helemaal duidelijk was hoe ik je huis kon vinden, bleef je me geduldig meer tips en aanwijzingen geven. Ik begon te vermoeden dat je wat ouder was dan ik.

Toen ik bij je aanbelde, zag ik dat je inderdaad wat ouder was dan ik. Ruim twee keer zo oud, de 80 voorbij. Je woonde in een opa-en-oma-huis, uit de keuken kwam opa-en-oma-etenslucht. Je nam me mee naar de kelder, waar je kleine werkbank stond. Al je gereedschap netjes geordend. Het slijptafeltje had je klaargezet, het zat nog in z’n originele verpakking. Elk onderdeel netjes in krantenpapier gerold, zodat het aluminium niet zou krassen. Alles pakte je geduldig uit, om te tonen dat het nog in goede staat was. Het tafeltje moest in elkaar worden gezet, om te tonen dat alles compleet was. Je nam uitgebreid de tijd en ik vond dat fijn. Je deed me denken aan m’n eigen opa, die ook altijd alles met veel geduld deed. Met aandacht, zorgvuldig. Nooit half werk.

Het slijptafeltje was te koop, omdat je je schaatsen aan de wilgen had gehangen. Je had in je leven veel geschaatst vertelde je, toertochten vooral. Maar het was nu genoeg geweest. Het was een keer klaar, vond je. En een harde val kan voor een tachtiger naar uitpakken natuurlijk. Om eerlijk te zijn vond ik je eruitzien alsof je zo nog 50 km over de Friese meren kon schaatsen. Maar je vertelde nuchter en resoluut dat het nu tijd was om zaken af te bouwen en spullen op te ruimen. Ik werd er wat weemoedig van, ik meer dan jij geloof ik.

Toen ik eenmaal thuis was, pakte ik het slijptafeltje weer uit om het te proberen. Ik weet niet waarom, maar het voelde alsof ik het voorzichtig moest behandelen. Rustig en geduldig, met aandacht. Toen ik alle onderdelen uit hun verpakking van krantenpapier haalde, vielen me vier onderdeeltjes op die je in al je geduld toch niet had getoond, daar in je kelder. Het waren vier metalen ringetjes. Uiteraard lagen die niet lukraak in de doos. Nee, je had ze aan een draadje geregen, zo’n binddraadje dat je in een rol vuilniszakken vindt. Natuurlijk had je dat gedaan.

Mijn schaatsen zijn nu weer scherp en het slijptafeltje zit weer in de doos. Alle onderdelen weer verpakt in krantenpapier, de ringetjes weer aan hun draadje geregen. Ik heb me voorgenomen om dat in ere te houden. Waarom weet ik niet precies. Ik denk omdat het voor mij staat voor iets waardevols. Het staat voor aandacht, en zorgvuldigheid. Netjes met spullen omgaan, je hoofd bij één ding tegelijk hebben. Iets af maken voor je aan het volgende begint. Daar ga ik bij stilstaan, elke keer als ik na het schaatsen slijpen de ringetjes weer aan hun binddraadje rijg.